De Kanklės is het oudste en meest archaïsche muziek instrument van de Litouwen. De vroegste beschrijving van dit instrument wordt in een bijbelvertaling door Jonas Bretkunas (1579-90) gevonden.
De Litouwers geloofden dat men slechts een kanklès met een sonore klank kon krijgen, indien men hout gebruikte dat op de dag dat een geliefde overleed werd gezaagd.
Er werd gedacht dat de kanklès spelen als mediteren was en door dit mediteren werd de muzikant en zijn familie beschermd tegen dood, ziektes en ongelukken.
In het algemeen bouwden alleen mannen de kanklės die ze zelf bespeelden. Deze traditie werd aan de jongere generatie doorgegeven.
De kanklės, een soort liggende harp, wordt met de vingers of met een plectrum bespeeld. Tijdens het spelen moeten er snaren voor eventuele verhogingen of verlagingen van de toon snel worden 'verstemd'. Het aantal snaren van fijn koper of ijzerdraad gemaakt varieert van 5 tot 34.
Meestal wordt de kanklès in folkloregroepen gebruikt, maar tegenwoordig wordt de kanklès ook wel als solo-instrument bespeeld.